Te midden van roofvogels.


Wie hieraf weg wil,
hoe snel
slokt hem de diepte op!
-- Maar jij, Zarathoestra,
bemint nog de afgrond,
doe je het zoals de zilverspar? --

Hij slaat wortels, waar
de rots zelf rillend-kil naar
de diepte blikt --,
hij aarzelt bij afgronden,
waar alles ras
naar onder wil:
te midden van het ongeduld
van wilde steenslag, klaterbeken
geduldig duldend, hard, zwijgzaam,
eenzaam . . .

Eenzaam!
Wie zou het ook wagen,
hier gast te zijn,
jouw gast te zijn? . . .

Een roofvogel misschien:
hij hangt zich wel
de standvastige dulder,
blij hem te beschadigen, in het haar,
met voos gelach,
een roofvogel-gelach . . .

Waartoe zo standvastig?
-- hoont hij griezelig:
men moet vleugels hebben, als men de afgrond bemint . . .
men moet niet blijven hangen,
zoals jij, gehangene! --

O Zarathoestra,
griezeligste Nimrod!
Onlangs nog jager van god,
het vangnet van alle deugd,
de pijl van het kwade!
Nu --
door jou zelf opgejaagd,
je eigen prooi,
in jou zelf ingeboord . . .

Nu --
eenzaam met jou,
tweezaam in het eigen weten,
te midden van honderd spiegels
voor jou zelf vals,
te midden van honderd herinneringen
ongewis,
aan elke wonde moe,
aan elke vorstbeet koud,
in eigen strikken gewurgd,
zelfkenner!
zelfophanger!

Wat knelde je je
met de strik van je wijsheid?
Wat lokte je je
in de lusttuin van de oude slang?
Wat sloop je je binnen
in jou -- in jou? . . .

Nu ben je een zieke,
die ziek is van slangengif;
nu ben je een gevangene,
die het hardste lot trok:
in de eigen schacht
arbeid je gebukt,
in je zelf ingehold,
je zelf aangravend,
onbehulpzaam,
stijf,
een lijk--,
door honderd lasten overstegen,
door jou overladen,
een wetende!
een zelferkenner!
de wijze Zarathoestra! . . .

Je zocht de zwaarste last:
en je vond jou --,
je werpt je niet af van jou . . .

Loerend,
krommend,
Iemand die al niet meer rechtop staat!
Je vergroeit me nog met je graf,
vergroeide geest!

En onlangs nog zo trots,
op alle stelten van je trots!
Onlangs nog de eenwoner zonder god,
de tweewoner met de duivel,
de scharlaken prins van elke overmoed! . . .

Nu --
te midden van twee nietsen
ingekromd,
een vraagteken,
een vermoeid raadsel --
een raadsel voor roofvogels . . .

-- ze zullen je wel "oplossen",
ze hongeren al naar je "oplossing",
ze fladderen al om jou, hun raadsel,
om jou, gehangene! . . .
O Zarathoestra! . . .
zelfkenner! . . .
zelfophanger! . . .


F.W. Nietzsche, uit: Dionysos-dithyramben.
Vertaald door Stéphane Vanneste -- voor mijn stralendste.